OK, je wil vetmassa kwijtraken. We snappen dat. In je zoektocht naar een geschikt dieet hoor je goede verhalen over koolhydraatarme dieten, maar ook over vetarme dieten. Wat moet je nu doen? Er zijn voor- en tegenstanders voor koolhydraatarme en koolhydraatrijke dieten. Longitudinale studies en meta-analyses laten in het algemeen zien dat low-carb en low-fat gemiddeld gezien vergelijkbare resultaten leiden. Ondanks dat low-carb en low-fat tot gemiddeld dezelfde resultaten leiden, kunnen individuen meer vet verliezen met een low-carb in plaats van een low-fat dieet, of juist andersom. Mogelijk speelt insulineresistentie een rol bij teleurstellende resultaten wanneer mensen een low-fat benadering kiezen. Daarnaast kan aanleg een rol spelen bij het wel, of juist niet goed reageren op een low-carb, of low-fat dieet. Genoeg vragen om te beantwoorden. Om achter de antwoorden op die vragen te komen, hebben in oktober 2023 Duitse, Britse en Amerikaanse onderzoekers gekeken of insulineresistentie (geschat met HOMA-IR; toegegeven niet de gouden standaard om insulineresistentie in kaart te brengen) en genetische aanleg een rol spelen in het wel, of juist niet succesvol afvallen met een low-carb, of low-fat dieet. En zo kunnen we er dus achter komen of een dieet specifiek gebaseerd op jouw genetische aanleg en insulineprofiel voor de beste resultaten zorgt.
Wat hebben de onderzoekers gedaan en wat waren de belangrijkste resultaten?
De onderzoekers includeerden uiteindelijk 122 proefpersonen tussen de 18-75 jaar met een BMI tussen de 27 en 47,5 kg/m2.
Deelnemers werden op basis van een genetische test van 10 genen aangemerkt als vetresponders (deelnemers die op basis van aanleg goed zouden moeten reageren op een low-carb dieet) of koolhydraatresponders (deelnemers die op basis van aanleg goed zouden moeten reageren op een low-fat dieet). Na de genetische test volgden deelnemers een vetrijk (40% vet, 45% koolhydraten; toegegeven, nog steeds veel koolhydraten, maar wel stukken lager, dan een ‘normaal’ voedingspatroon) of een koolhydraatrijk dieet (20% vet, 65% koolhydraten; toegegeven erg koolhydraatrijk) en een energierestrictie van 750 kcal per dag. Om te kijken of vetresponders en koolhydraatresponders slecht afvielen met respectievelijk een koolhydraatrijk en vetrijk dieet en vetresponders en koolhydraatresponders goed afvielen met respectievelijk een koolhydraatrijk en vetrijk dieet werden er vier dieetgroepen gemaakt:
- vetresponders op een koolhydraatrijk dieet,
- vetresponders op een vetrijk dieet,
- koolhydraatresponders op een koolhydraatrijk dieet en
- koolhydraatresponders op een vetrijk dieet.
Voor en na de 12 weken durende dieetperiode werd de lichaamssamenstelling, craving naar voeding, bloeddruk, bloedglucoseregulatie, insulinespiegels, dieettevredenheid en naleving van het dieet gemeten.
Wat bleek? De mate van gewichtsverlies (rond de 5 kg gewichtsverlies in 12 weken) en veranderingen in lichaamssamenstelling was vergelijkbaar tussen alle groepen. Met andere woorden, er was geen duidelijk voordeel van een dieet met veel koolhydraten of veel vet, ongeacht of je een vetresponder of koolhydraatresponder bent. Daarnaast nam de mate van insulineresistentie bij alle groepen af, maar was er geen verschil tussen de verschillende groepen. Ook voorspelde de hoogte van de insulinespiegels voor aanvang van de dieetperiode niet het dieetsucces bij de verschillende groepen. Dus even voor de duidelijkheid ook als de insulinespiegels voor aanvang van het dieet hoog waren, leidde dat niet tot slechtere dieetresultaten.
En dus…..
Zowel je aanleg als je insulinespiegels lijken niet te kunnen voorspellen of je nu het beste kan afvallen met een low-carb, of low-fat dieet. Dus mensen die insulineresistent zijn en op basis van hun aanleg slecht zouden moeten afvallen met een koolhydraatrijk dieet, laten prima resultaten zien met die dieetvorm. Dit betekent niet dat we denken dat sommige mensen betere resultaten behalen met een low-fat, of low-carb dieet. Welk dieet het meest geschikt is, wordt meer bepaald door andere factoren dan aanleg en insulinespiegels voor aanvang van een dieetperiode. Volgens de zelfdeterminatietheorie vergroot immers het vertrouwen in een bepaalde dieetaanpak de effectiviteit van dat dieet, zelfs als deze op basis van fysiologische gronden niet superieur is. Geloven dat een dieet werkt, erin vertrouwen dat we een dieet kunnen volhouden en het gevoel dat we gesteund worden door mensen die hetzelfde dieet volgen en een omgeving die ons in raad en daad steunt, vergroot ons dieetsucces. Daarom, als een client overtuigd is van de effectiviteit van een bepaald dieet, kan het zinvol zijn om daar in mee te gaan, mits het dieet volwaardig is. En mocht het dieet niet volwaardig zijn, dan is het je taak als deskundige om aanpassingen voor te stellen die passen binnen de wensen van de client en die het dieet volwaardig maken. Gedurende de dieetbegeleiding van je cliënt is het zinvol om een meer genuanceerd begrip van voeding bij te brengen om zodoende een adequaat gedragsrepertoire van je cliënt uit te breiden.


