GLP-1-medicatie uitgelegd, deel 4

In deel 3 van deze serie zagen we dat GLP-1-agonisten bij mensen met obesitas kunnen leiden tot aanzienlijke gezondheidswinst. Niet alleen daalt het lichaamsgewicht, ook de bloedglucoseregulatie verbetert en bij mensen met een verhoogd cardiovasculair risico neemt de kans op ernstige hart- en vaatproblemen fors af wanneer zij GLP-1-agonisten gebruiken. Die gezondheidseffecten zijn dus niet klein, maar klinisch relevant. Toch wordt aan die positieve gezondheidseffecten regelmatig getwijfeld, omdat beweerd wordt dat GLP-1-agonisten een aanzienlijk spiermassaverlies veroorzaken. De twijfel aan de positieve gezondheidseffecten van GLP-1-agonisten klinkt dan ook logisch als deze middelen daadwerkelijk tot een fors spiermassaverlies zouden leiden. Afvallen met behulp van GLP-1-agonisten betekent immers dan niet alleen vet, maar ook spiermassa verliezen.

In discussies over GLP-1-agonisten wordt dat punt soms zo sterk aangezet dat het lijkt alsof deze middelen mensen onvermijdelijk zwakker maken. Voordat we ingaan op de vermeende effecten van GLP-1-agonisten op spiermassaverlies is het nodig eerst scherp te krijgen waar studies het eigenlijk over hebben.

Want wat bedoelen onderzoekers met vetvrije massa? En waarom is een afname van de vetvrije massa niet automatisch hetzelfde als verlies van spiermassa of spierfunctieverlies?

Wat is vetvrije massa?

Wanneer onderzoekers lichaamssamenstelling meten, maken ze meestal onderscheid tussen vetmassa en vetvrije massa. Vetmassa is alles wat onder lichaamsvet valt. Vetvrije massa is een verzamelbegrip voor alles wat daar niet onder valt. Vetvrije massa is dus alle lichaamsmassa EXCLUSIEF vetmassa. Skeletspieren, maar ook bijvoorbeeld organen zoals het hart, lever en nieren en huid behoren tot de vetvrije massa. Het is hierbij zeer belangrijk te onderkennen dat skeletspieren vet kunnen bevatten en bij mensen met ernstig overgewicht zeer veel vet kunnen bevatten. We komen daar later op terug, maar voor nu is het belangrijk dat even te onthouden.

Die nuance is cruciaal. Een afname van vetvrije massa betekent dus NIET automatisch dat spieren verdwijnen. Het kan ook gaan om verlies van water (bijvoorbeeld doordat het lichaam minder glycogeen opslaat), veranderingen in orgaanmassa of een combinatie daarvan. Toch wordt in de bespreking van de effecten van GLP-1-agonisten op de lichaamssamenstelling het verlies van vetvrije massa 1-op-1 doorvertaald naar spiermassaverlies. En deze doorvertaling is op zijn minst onzorgvuldig en waarschijnlijk onjuist! Met deze nuance in het achterhoofd kunnen we kijken naar de studie die het vaakst wordt aangehaald als bewijs voor spierverlies bij GLP-1-gebruik. De zogenaamde STEP-1-studie.

Verlies van spiermassa, of vetvrije massa?

De STEP-1-studie onderzocht het effect van semaglutide (een GLP-1-agonist die beter bekend is onder de naam Ozempic en Wegovy) bij volwassenen met obesitas zonder diabetes. De deelnemers gebruikten semaglutide gedurende 68 weken. Lichaamssamenstelling werd gemeten met DXA-scans, een veelgebruikte methode in klinisch onderzoek die vetmassa en vetvrije massa onderscheidt, maar geen direct beeld geeft van de daadwerkelijke spiermassa.

De resultaten waren duidelijk. Deelnemers verloren veel gewicht, gemiddeld rond de vijftien procent van hun uitgangsgewicht. Een groot deel (ongeveer 60%) daarvan bestond uit vetmassa, maar er was ook een duidelijke daling van de vetvrije massa. Dat laatste punt wordt vaak uitvergroot.

Wat in die interpretatie meestal ontbreekt, is dat in deze studie geen directe meting van spiermassa plaatsvond. Ook werd niet bestudeerd wat het effect van de GLP-1-agonisten op spierkracht of spierfunctie had. Het moge onderhand duidelijk zijn dat het verlies aan vetvrije massa is hier geen  geen synoniem is voor spiermassa.

Dat maakt de volgende resultaten uit diezelfde STEP-1-studie extra interessant! Want hoewel spiermassa zelf niet werd gemeten, werd in de STEP-studie wel onderzocht wat het effect van GLP-1-agonisten op fysiek functioneren was. Dat gebeurde met twee gevalideerde vragenlijsten.

De eerste was de 36-item Short Form Health Survey (SF-36). Deze vragenlijst meet onder andere fysiek functioneren, dagelijkse beperkingen, energieniveau en pijn. De tweede was de Impact of Weight on Quality of Life–Lite Clinical Trials Version (IWQOL-Lite-CT), een vragenlijst die specifiek is ontwikkeld om lichamelijk functioneren bij gewichtsverandering te volgen.

Op beide schalen verbeterden de scores duidelijk in de semaglutidegroep. Deelnemers rapporteerden minder beperkingen bij bewegen, een betere mobiliteit en een hogere fysieke belastbaarheid. Dat is een belangrijk gegeven. Ondanks het gemeten verlies aan vetvrije massa ging het dagelijks functioneren juist vooruit.

Dat maakt het onwaarschijnlijk dat GLP-1-agonisten voor een klinisch relevant spierfunctieverlies zorgen.

Geen extra eiwitten en krachttraining in de STEP-1-studie

Daarnaast is het heel belangrijk om te weten dat in de STEP-1-studie het gebruik van GLP-1-agonisten gepaard ging met leefstijladvies MAAR NIET, we herhalen NIET gepaard ging met het advies om krachttraining te doen en de eiwitinname te verhogen. Er werden dus geen specifieke doelen gesteld voor eiwitinname en er was geen gestructureerd krachttrainingsprogramma.

Met andere woorden: de resultaten in de STEP-1-studie worden veroorzaakt door een energiebeperkt dieet waarin de eiwitinname niet wordt verhoogd en geen krachttraining wordt gedaan. Als je de laatste jaren niet onder een steen hebt geleefd dan weet je dat krachttraining in combinatie met een hogere eiwitinname bij een energiebeperkt dieet beschermt tegen verlies van vetvrije massa en nog specifieker beschermt tegen spiermassaverlies. Kijken we specifiek naar het spiermassaverlies wanneer mensen een regulier energiebeperkt dieet volgen, zonder krachttraining en extra eiwitinname, dan weten we uit deze en deze studies dat gemiddeld tien tot twintig procent van het gewichtsverlies uit spiermassa kan bestaan, afhankelijk van geslacht, leeftijd en de mate van gewichtsverlies. Dit is geen afwijking, maar een biologisch voorspelbaar effect van een energiebeperkt dieet.

Minder spiermassa, maar betere spierfunctie

Studies uit 2024 en 2025 waarin het directe effect van GLP-1-agonisten op spierweefsel directer wordt onderzocht laten een genuanceerder beeld zien. In plaats van alleen naar hoeveelheid spiermassa te kijken, werd in deze studies ook het effect van GLP-1-agonisten op de spierkwaliteit onderzocht. Daarbij speelt intramusculair vet (vet in de spieren) een belangrijke rol. Bij obesitas is spierweefsel vaak doordrenkt met vet, wat samenhangt met slechtere spierfunctie en verminderde insulinegevoeligheid.

De review van Ceasovschih laat zien dat GLP-1-agonisten juist een afname van dat intramusculaire vet veroorzaken. Het gevolg is dat het totale spiervolume iets afneemt, maar de kwaliteit van het resterende spierweefsel verbetert. Neeland beschrijft vergelijkbare bevindingen. Deze wetenschapper concludeert dat veranderingen in spiermassa bij GLP-1-agonistengebruik grotendeels passen bij wat je verwacht bij gewichtsverlies en dat verbeteringen in spierkwaliteit en insulinegevoeligheid waarschijnlijk bijdragen aan behoud en verbetering van spierfunctie.

Conclusie

Het idee dat GLP-1-agonisten mensen op een onvermijdelijke weg naar spierverlies en kwetsbaarheid zetten, wordt door het beschikbare bewijs niet ondersteund. Veel van de onrust komt voort uit het verwarren van vetvrije massa met spiermassa.

Studies zoals de STEP-trial laten zien dat ondanks een afname van vetvrije massa het functioneren en de kwaliteit van leven verbeteren. Wanneer spierweefsel directer wordt onderzocht, blijkt dat spierkwaliteit vaak toeneemt, mede door verlies van intramusculair vet. Dat patroon verschilt niet wezenlijk van wat we zien bij ander een normaal energiebeperkt dieet.

De belangrijkste les is dan ook dat spiermassa niet los kan worden gezien van leefstijl. Eiwitinname en krachttraining spelen daarin een sleutelrol. Ook wanneer GLP-1-agonisten worden gebruikt.