Je buik vol van eiwitten

Fitnessers lijken soms onevenredig veel aandacht te besteden aan een voldoende hoge eiwitinname omdat het essentieel is herstel en spieropbouw. Maar niet alleen voor sporters lijkt een voldoende eiwitinname essentieel. Ook de supermarkt heeft zijn oog laten vallen op extra eiwitten zo duur mogelijk aan de vrouw en man te brengen. En probeert verschillende producten op te voeren met extra eiwitten variërend van zuivel en brood tot snacks en desserts. Deze ontwikkeling wordt in de literatuur en media vaak aangeduid als protein maxxing. Waarbij wordt gedoeld op een trend waarbij eiwitinname bewust wordt gemaximaliseerd, vaak onafhankelijk van een duidelijk trainingsdoel.

Parallel aan deze protein maxxing trend bestaat een tweede, tegengestelde lijn in de wetenschappelijke en publieke discussie. Namelijk dat een chronisch hoge eiwitinname mogelijk nadelige effecten heeft op je organen en gezondheid. In dit bericht gaan we eens kijken of een opgevoerde eiwitinname met name je organen tot een ongezonde groei aanzet, of dat hier andere krachten aan het werk zijn.

Theoretische zorgen over hoge eiwitinname en orgaangroei

Reidy (2020) bespreekt in een editorial de vraag waar de extra aminozuren naartoe gaan wanneer eiwitinname structureel boven de hoeveelheid ligt die nodig is om spiereiwitsynthese te maximaliseren. Hij stelt dat, hoewel spiereiwitsynthese een verzadigingspunt kent, de eiwitsynthese van het hele lichaam kan toenemen bij een structureel hoge eiwit-inname. Hij lijkt daarmee te speculeren dat een chronisch verhoogde eiwitturnover theoretisch kan leiden tot visceromegalie (dat is groei van interne organen). Reidy benadrukt echter dat een onderbouwing voor deze hypothese bij gezonde, fysiek actieve populaties beperkt is.

Bodybuildingpopulaties als confounder in observatiestudies

Toch zien we bij veel bodybuilders die waarschijnlijk doping gebruiken een forse groei van de organen, dat uiteindelijk leidt tot vergrote organen (visceromegalie). En we weten ook dat de eiwitinname van veel bodybuilders op zijn zachtst gezegd fors is. Als je 1 en 1 optelt, zou je zo maar tot de (foute?) conclusie kunnen komen dat een hoge eiwitinname tot visceromegalie leidt. Deze populatie wordt gekenmerkt door een combinatie van factoren die elkaar sterk overlappen, waaronder een hoge trainingsbelasting, een extreem hoge lichaamsmassa en frequent gebruik van dopinggeduide middelen. In deze situatie zijn autopsiestudies een van de weinige manieren om veranderingen in organen te onderzoeken, maar ook deze onderzoeken hebben duidelijke beperkingen omdat ze terugkijken in de tijd en omdat ook hier weer meerdere factoren tegelijk invloed hebben gehad op de ontwikkeling van visceromegalie, waardoor het lastig is om oorzaken van elkaar te scheiden.

Een gecontroleerde vergelijking van natuurlijke en enhanced bodybuilders

Een relevant onderzoek dat meer duidelijkheid schept over de kwestie of visceromegalie door een hoge eiwitinname of door andere factoren wordt veroorzaakt, is uitgevoerd door Maastrichtse onderzoekers. In deze cross-sectionele studie werden 45 mannen verdeeld over drie groepen. En die drie groepen zijn 15 recreatief actieve mannen, 15 naturel bodybuilders en 15 bodybuilders die dopinggeduide middelen gebruikten. De groepen waren gematcht op leeftijd en lengte, terwijl verschillen in lichaamssamenstelling, training en gebruik van dopinggeduide middelen nauwkeurig werden geregistreerd.

De voedingsanalyse liet zien dat zowel natural bodybuilders als de bodybuilders die doping gebruikten een vergelijkbaar hoge eiwitinname hadden van respectievelijk 2,5 ± 0,6 en 2,9 ± 0,4 g/kg/dag. De recreatief actieve mannen rapporteerden een beduidend lagere maar nog steeds forse eiwitinname van 1,4 ± 0,3 g/kg/dag.

Lichaamssamenstelling, gemeten via DXA, liet zien dat beide bodybuildinggroepen een lagere vetmassa hadden en een hogere vetvrije massa dan de recreatief actieve mannen, met de grootste absolute spiermassa in de groep die doping gebruikte. Geen verassende resultaten.

De belangrijkste uitkomstvariabelen betroffen echter de orgaangroottes, gemeten via MRI. Hier werden significante verschillen gevonden in de groep die doping gebruikte ten opzichte van zowel de natural bodybuilders als de recreatief actieve mannen, met grotere volumes van het hart, lever, nieren en milt bij de groep die doping gebruikte. Tussen natural bodybuilders en controles werden geen verschillen in orgaanvolume gevonden.

De auteurs concluderen dat de waargenomen visceromegalie niet kan worden toegeschreven aan een hoge eiwitinname of krachttraining, maar eerder samenhangt met het gebruik van doping.

Gaan bodybuilders eerder dood?

De vraag of een hoge eiwitinname op zichzelf schadelijk is, laat zich niet beantwoorden met alleen metingen van orgaangrootte. Uiteindelijk willen we ook weten of de leefstijl van krachtsporters samenhangt met hun gezondheid en levensduur. Sterfteonderzoek onder bodybuilders biedt daarvoor een aanvullend perspectief, al kunnen we ook daarmee het afzonderlijke effect van eiwitinname niet isoleren. We nemen hier namelijk stilzwijgend aan dat bodybuilders doorgaans relatief veel eiwit eten, terwijl hun leefstijl ook andere relevante factoren omvat, zoals trainingsbelasting, lichaamsgewicht en eventueel gebruik van dopinggeduide middelen.

Naast cross-sectionele fysiologische onderzoeken zijn studies waarin de sterfte onder bodybuilders wordt vergeleken met de algemene populatie relevant. We nemen dan wel even stilzwijgend aan dat bodybuilders altijd een hoge eiwitinname hebben. Hoe dan ook, om die sterftecijfers te bekijken onder bodybuilders gebruiken we een studie uit 2025. In deze studie vergeleken de onderzoekers sterftegegevens van mannelijke bodybuilders uit drie tijdperken: de Bronze Era (1900-1930), de Silver Era (1930-1960) en de Golden Era (1960-1990). Rond 1960 ontstond een belangrijke omslag binnen de bodybuildingsport. Hoewel testosteron al eerder was geïsoleerd, werd met de introductie van Dianabol in 1958 voor het eerst een anabool steroïde op grote schaal beschikbaar en gebruikt. Dan de sterftecijfers. De gemiddelde leeftijd bij overlijden bedroeg 74,8 jaar voor bodybuilders uit de Bronze Era en 80,2 jaar voor bodybuilders uit de Silver Era, terwijl de gemiddelde leeftijd van de algemene populatie bij overlijden 64,2 jaar in 1930 en 68,6 jaar in 1960 was. Dat betekent dat bodybuilders uit zowel de Bronze als de Silver Era gemiddeld ongeveer tien jaar langer leefden dan hun tijdgenoten.

Een ander beeld ontstond voor de Golden Era, de periode waarin het gebruik van anabole steroïden steeds normaler werd. De gemiddelde leeftijd bij overlijden daalde in deze groep naar 68,6 jaar, terwijl de levensverwachting van Amerikaanse mannen van de algemene in 1990 72,2 jaar was.

Hoewel dergelijke historische analyses geen oorzakelijk bewijs leveren, laten zij wel een opvallend patroon zien. In de periodes waarin bodybuilding vooral werd gekenmerkt door krachttraining, een waarschijnlijk relatief eiwitrijke voeding en een gezonde leefstijl, leefden bodybuilders gemiddeld langer dan hun leeftijdsgenoten. Dat voordeel verdween juist in het tijdperk waarin het gebruik van anabole steroïden gemeengoed werd.

Conclusie

De huidige literatuur biedt geen directe ondersteuning voor de hypothese dat een hoge eiwitinname op zichzelf leidt tot visceromegalie of een verhoogde sterfte bij gezonde, fysiek actieve populaties.