In de eerste twee delen van deze serie draaide het om de bloedvaten van het hart (coronaire vaten). Daar zagen we dat duursporters soms vaker verkalking in de kransslagaders hebben, maar dat die verkalking er anders uit kan zien dan bij minder fysieke actieve mensen. Bovendien werd duidelijk dat de aanwezigheid van calcium in de vorm van een hoge CAC-score samenhangt met een hogere kans op (overlijden aan) hart- en vaatziekten, terwijl een actieve leefstijl dat risico juist verlaagt. Naast te kijken wat er in de bloedvaten van het hart te kijken, is het ook interessant om te bekijken wat er eigenlijk gebeurt met het hart zelf door duurtraining? Want waar we eerder vooral keken naar wat er in de vaatwand van bloedvaten van het hart zichtbaar is, bespreken we nu hoe de hartspier reageert op jarenlange trainingsbelasting. Welke veranderingen zijn normale aanpassingen? En wanneer krijgen veranderingen mogelijk een andere betekenis?
Het sporthart
Wie jarenlang intensief traint, vraagt veel van zijn hart. Tijdens zware inspanning kan het hartminuutvolume (de hoeveelheid bloed die per minuut wordt rondgepompt) oplopen van ongeveer 5 liter in rust tot 20 à 30 en soms wel 40 liter per minuut bij goed getrainde sporters. Om dat mogelijk te maken, past het hart zich aan. Die aanpassing is een wenselijk fysiologisch gevolg van herhaalde trainingsbelasting. Zowel het linker als rechter ventrikel (de linker- als de rechterkamer) zijn groter bij duursporters, dan bij mensen die geen duursport bedrijven.
Die vergroting van de ventrikels heeft alles te maken met de hoeveelheid zuurstofarm bloed die tijdens inspanning terugstroomt naar het rechter ventrikel en de hoeveelheid zuurstofrijk bloed die door het linker ventrikel wordt ontvangen en de aorta wordt ingepompt. Het zuurstofarme bloed moet namelijk eerst door het rechter ventrikel naar de longen worden gepompt en vervolgens via het linker ventrikel naar de rest van het lichaam en dus de spieren die arbeid leveren worden gepompt. Als die stroom jarenlang hoog is, past het hart zich daaraan aan door letterlijk meer bloedvolume te kunnen verwerken.
Naast die structurele veranderingen op het niveau van het hart zijn er ook elders in het lichaam aanpassingen. De hartslag in rust daalt vaak, bij sommige atleten tot onder de 40 slagen per minuut, waardoor het hart in rust fors minder belast wordt. Dat komt niet alleen omdat het hart in rust per slag meer bloed kan verwerken, maar ook doordat de activiteit van het autonome zenuwstelsel verschuift. De parasympathische (“ruststand”) van het autonome zenuwstelsel neemt namelijk toe. Het hart pompt efficiënter, waardoor het per slag meer bloed rond en hoeft dus minder vaak te slaan. Belangrijk is dat dit geheel meestal een fysiologische en gewenste adaptatie is. Een normale, functionele en wenselijke aanpassing aan duurtraining. Maar daarmee is het onderscheid met ziekte niet altijd scherp. Want een groter hart en een lage hartslag kunnen in een andere context ook passen bij ziekte. Het onderscheid zit dus niet alleen in wat je meet, maar vooral in wie je voor je hebt.
En het hartritme dan?
Diezelfde context is ook belangrijk om te begrijpen waarom onderzoekers niet alleen kijken naar hoe het hart eruitziet, maar ook naar wat er op de lange termijn gebeurt. Want hoewel deze aanpassingen meestal gunstig zijn, zijn er ook aanwijzingen dat ze onder bepaalde omstandigheden samenhangen met hartritmestoornissen. De bekendste daarvan is boezemfibrilleren. De boezems, er zijn overigens een rechter en linker boezem liggen bovenop en zijn verbonden met de rechter en linker ventrikels van het hart en ontvangen als eerste de terugstroom van bloed. Terug naar boezemfibrilleren. Dat is een hartritmestoornis waarbij de boezems van het hart niet meer gecoördineerd samentrekken, maar snel en onregelmatig elektrische signalen afgeven. Daardoor ontstaat een onregelmatige hartslag, die kan aanvoelen als hartkloppingen, onrust of een verminderd uithoudingsvermogen. Wat daarbij belangrijk is om te beseffen, is dat boezemfibrilleren bij duursporters vaak in een andere context voorkomt dan bij de gemiddelde patiënt die last heeft van boezemfibrilleren. In de algemene bevolking ontstaat boezemfibrilleren vaak op latere leeftijd en hangt het samen met factoren zoals hoge bloeddruk, overgewicht, diabetes of structurele hartziekten.
Bij duursporters ligt dat anders. Bij duursporters wordt soms gesproken van een meer ‘vagale’ vorm van boezemfibrilleren. Dat verwijst naar de invloed van het autonome zenuwstelsel. Het deel van het zenuwstelsel dat onder andere de hartslag regelt. Bij goed getrainde sporters is de zogenoemde parasympathische activiteit in rust verhoogd. Dit is het “rust- en herstel”-deel van het zenuwstelsel, dat de hartslag verlaagt en het lichaam helpt herstellen na inspanning. Die verhoogde activiteit is normaal en zeer gunstig, maar kan er ook voor zorgen dat het hart gevoeliger wordt voor het ontstaan van ritmestoornissen, met name in rust of vlak na inspanning. Dat verklaart waarom boezemfibrilleren bij sporters vaak optreedt op momenten waarop je het misschien niet direct verwacht, bijvoorbeeld ’s avonds of ’s nachts terwijl boezemfibrilleren bij andere patiënten juist vaker optreedt bij stress of inspanning. Hoewel het beloop bij sporters in veel gevallen milder kan zijn en complicaties zoals een beroerte gemiddeld minder vaak voorkomen, betekent dit niet dat boezemfibrilleren altijd onschuldig is. Ook bij sporters blijft boezemfibrilleren een hartritmestoornis die klachten kan geven en die, afhankelijk van de situatie, medische beoordeling en soms behandeling vereist. Uit een meta-analyse rond 2021, blijkt dat duursporters ongeveer 2,5 keer vaker boezemfibrilleren ontwikkelen dan minder actieve mensen. Dat effect wordt vooral gezien bij mannen die jarenlang intensief niveau trainen. Dat klinkt fors, maar het is belangrijk om dat goed te duiden. Het gaat hier om een relatief verschil. In absolute zin blijft de kans op boezemfibrilleren voor de meeste sporters nog steeds beperkt.
De verklaring voor deze toename ligt waarschijnlijk niet in één oorzaak. In een position paper uit 2026 wordt het ontstaan van boezemfibrilleren toegeschreven aan een samenspel van factoren. De boezems kunnen bijvoorbeeld iets uitrekken door langdurige volumebelasting. Daarnaast verandert de elektrische prikkelgeleiding onder invloed van training en kan het autonome zenuwstelsel verschuiven richting meer rustactiviteit. Deze combinatie kan het hart gevoeliger maken voor ritmestoornissen. Het is verleidelijk om deze bevindingen groot te maken, maar het is belangrijk om ze in perspectief te plaatsen. De meeste sporters ontwikkelen geen boezemfibrilleren. Ook bij intensieve duursport blijft het absolute risico laag. Toch is het risico niet willekeurig verdeeld is. Het lijkt vooral te spelen bij mensen die jarenlang een met hoge trainingsbelasting hebben getraind en die daarnaast ouder worden. Met name boven de 40-50 jaar wordt boezemfibrilleren vaker gezien. Dat betekent overigens niet dat sport slecht wordt, maar wel dat dezelfde aanpassing een andere betekenis kan krijgen afhankelijk van de context.
En dus…
Het beeld dat naar voren komt, is er een van nuance. Jarenlang intensief trainen leidt in de meeste gevallen tot een sterker en efficiënter hart. De aanpassingen die daarbij horen, zoals een lagere hartslag zijn meestal een normale fysiologische aanpassing op trainingsbelasting en geen teken van ziekte. Daarnaast laat onderzoek zien dat deze aanpassingen niet volledig losstaan van mogelijke risico’s. Hartritmestoornissen zoals boezemfibrilleren komen iets vaker voor bij mensen die langdurig en intensief aan duursport doen. Dat risico blijft voor de meeste sporters klein, maar is niet nul. Daarom is het belangrijk om signalen van het lichaam serieus te nemen. Terugkerende hartkloppingen, een duidelijk afgenomen prestatie of duizeligheid tijdens inspanning passen niet bij een normale trainingsadaptatie en verdienen aandacht. Dat betekent niet dat intensief sporten vermeden moet worden integendeel. De gezondheidsvoordelen van regelmatige fysieke activiteit zijn groot en goed onderbouwd. Maar het betekent wel dat ook sporters gebaat zijn bij een kritische blik op hun eigen lichaam en waar nodig, passende medische begeleiding zoeken.

